Menu

Herinneringen van Petra Tetenburg, geboren 1938.

Mijn herinneringen aan de oorlog.

Ik kwam op het idee op jullie verzoek (Historische Kring IJsselstein) te reageren, door de foto van de jonge IJsselsteinse mannen die zgn. in Duitsland gingen “moesten” werken! Volgens mij waren daar ook medewerkers bij van de Meubelfabriek van Roskam, waar mijn vader bedrijfsleider/meubelontwerper was.

Aangezien ik in 1938 ben geboren, heb ik nog een oorlogsherinnering die mijn 6 jaar oudere zus me vertelde, omdat ik toen nog maar net kon lopen, wellicht was ik nog geen 2 jaar.

Toen er aan het begin van de oorlog, fiks werd gebombardeerd door de Duitsers (min of meer overal in Nederland) en als de bommenwerpers overvlogen, schuilden wij in de keuken, gehurkt op de grond, met een pan op ons hoofd voor eventuele “scherven”. Ons granieten aanrecht leek een goede “buffer” en voor het kleine raam stonden zandzakjes. Mijn zus vertelde dat ik geen pan op m’n hoofd wilde, dus moeder hield de kleinste pan vlak boven mijn hoofd, maar die duwde ik telkens weg. Gelukkig is er in IJsselstein nooit een bom gevallen, maar de Duitsers hadden de Viaanse Brug als doel gekozen en dat konden we wel zien en horen.

Ik werd keurig opgevoed, ik mocht niet jokken. Maar ja, aangezien de Duitsers onze vijand waren en alles wilden stelen, werd mij het jokken verplicht!

Op een dag zette mijn moeder me achterop haar fiets om boodschappen te doen in de stad. Halverwege het pad langs ons huis (Hoge Biezen) hoorden we de overbuurman roepen: ”Er is een razzia op fietsen in de stad!”

Hogebiezen1930klein

Dus moeder maakte rechtsomkeert en holde naar de schuur en zette de fiets weg. “Als de moffen soms aanbellen: wij hebben géén fiets hoor!” zei m’n moeder.

Een andere keer werd er inderdaad aangebeld door een Duitser. Gelukkig “hadden wij geen radio”, want die was door de buurjongen nèt opgehaald om te verstoppen tussen de groenten in de achtertuin. Maar die Duitser liep gewoon de gang door en keek in de kamer. Ik keek met grote ogen toe en begrijp nog steeds niet waarom die Duitser het slingerende snoer achter het tafeltje (waarop moeder nog snel een plant had gezet) niet zag!  Hij liep gelukkig gauw weg en ik kon het aan m’n zus vertellen toen ze uit school kwam en moeder aan vader toen die uit de fabriek kwam.

Vader ging voor dag en dauw naar de fabriek, maar er was steeds minder personeel, omdat ze in Duitsland moesten werken. Ook 2 van zijn broers waren “opgepakt” daarvoor. Alles werd schaars en op een gegeven moment deed mijn vader alleen nog maar wat “reparatieklusjes” voor boeren uit de Achtersloot en IJsseldijk. Soms bestond de “beloning” hiervoor uit een paar eieren, melk, aardappels of een dode kip. Mijn zus en ik kwamen niets tekort, want de eieren en plakken kaas waren voor ons. Mijn vader at zes boterhammen zonder beleg (wel met een klein beetje boter) er op. Mijn moeder nam als “beleg” alleen een schepje suiker.

Ooit in het donker (dus ver na de zgn. Sperrtijd waarin niemand meer van de Duitsers op straat mochten komen) is mijn vader met zijn fiets op de IJsseldijk op een lopende Duitser gebotst. Hij reed met het voorwiel zo tussen de man zijn benen en de man greep het stuur om niet te vallen en vader te stoppen. Hij kwam er met een standje in het Duits vanaf! (Wellicht had die Duitser zelf geen alibi om daar te lopen?!)

Voorts kroop vader bij dreigende razzia’s, in de aanrechtkasten (zo mager was hij inmiddels) en ook wel in de slaapkamer in een muurkast, waar moeder en m’n zus dan de linnenkast voor schoven, zodat die deur niet te zien was.

Inmiddels bleek de huisarts bereid een soort verklaring van TBC-patiënt voor vader te hebben gemaakt, aangezien er hele colonnes IJsselsteinse mannen met een spa op de schouder een zgn. tankval moesten graven!  

Op een dag stond vader voor het raam, toen er onverwachts een Duitse soldaat ons tuinpad op kwam. Verslagen en spierwit van de schrik zat pa in een stoel toen die soldaat binnen kwam. Inmiddels gaf moeder het bewijs van TBC  aan de soldaat. Die keek eens naar vader en vond dat het goed te zien was dat hij TBC had. Vervolgens sommeerde hij moeder haar enige plant (een primula) uit huis te verwijderen, dat was ongezond!

Verder weet ik nog dat moeder de “room” van de melk schepte en daar boter van roerde en dat ze stroop maakte van suikerbieten.

Aan het eind van de oorlog werden m’n zus en ik s’morgens wakker tussen vader en moeder, in hun bed. Die nacht waren onze slaapkamers “gevorderd” door een Duitse commandant en zijn adjudant.

Laatstgenoemde stond maaltijden te koken in onze keuken, in moeders pannen, op ons fornuis! En lekker dat het rook! Hij was gek op mijn zus en mij, mijn zus mocht een natte vinger in een zak met suiker dopen en mij nam hij tijdens het koken op zijn arm. Ik was echter bang voor die man, dus: huilen! Maar hij bleef vriendelijk en hij liet blijken dat hij ons ook wat wilde geven van het eten, maar dat niet mocht van zijn “baas”.

Een paar dagen later was het “vrede” en liepen beide mannen met gebogen hoofd over het pad naar de weg. Moeder en de buurvrouw hadden het hekje mooi versierd met oranje crèpe-papier!

Later heb ik me vaak bedacht dat menige andere Nederlanders voor zo’n “belediging” werden neergeknald, dus wij hebben geluk gehad !

Petra Tetenburg